Update op 25 februari 2024

In dit artikel beschrijven we de Collectie Arbeidsinzet van het Rode Kruis, we lichten enkele Tegelse personen eruit en we tonen een namenlijst van de 250 Tegelse mannen en vrouwen die in de collectie te vinden zijn. We vragen over de personen die werden ingezet meer informatie over hun tewerk stelling in Duitsland. Iedere hulp is welkom!

Tijdens de Tweede Wereldoorlog werden jonge mannen en vrouwen uit door Duitsland bezette gebieden gedwongen om in de nazi-Duitse oorlogseconomie Duitse mannen te vervangen die als soldaten dienden. Ook uit Tegelen en Steyl zijn inwoners ingezet in Duitsland. In de eerste jaren gebeurde dit met een salaris. In de laatste jaren werden inwoners steeds vaker verplicht te werken zonder vergoeding. Het Nederlandse Rode Kruis (NRK) verzamelde na de oorlog gegevens van de tewerkgestelden. Deze Collectie Arbeidsinzet is recent online gekomen op de website van het Nationaal Archief. We vinden daar ook gegevens van meer dan 250 mannen en vrouwen uit Tegelen en Steyl. En er ontbreken er nog velen op de lijst.

Onze leden Sjeng Ewalds en Jos Wolbertus duiken hier momenteel in. We zijn op zoeken naar meer informatie over deze mannen en vrouwen en hun periode van de Arbeitseinsatz. Dit kunnen persoonlijke (overgedragen) verhalen zijn (vertellingen, dagboeken, etc.), documenten (overeenkomsten/Bescheinigung, loonstroken) en/of foto’s. We horen het graag.

Onderstaande verhalen zijn samengesteld door Sjeng Ewalds en Jos Wolbertus. 

Deze pagina bevat informatie over:

  1. Collectie Arbeidsinzet
  2. Zuckerfabrik Grosz Mahner in Salzgitter waar 7 Tegelenaren werden ingezet
  3. Krupp Essen, een kleine Tegelse kolonie waar 24 Tegelenaren te werk werden gesteld
  4. Joachim Beurskens (1918-1987)
  5. Wiel van Eijk (1921-1985)
  6. Andreas D’Heur (1861-1945)
  7. Vader Gerhard (1890) en zoon Gerard Ficker (1924)
  8. Frits Gielen (1909)
  9. Piet Broekman (1916-1978)
  10. Wiel (1918) en Frits (1925) Bongaarts
  11. Mathieu Cleophas (1909-1991)
  12. Baer Pelzer (1916-2001)
  13. Lijst Tegelse mannen en vrouwen in Arbeitseinsatz

 

1.- Collectie Arbeidsinzet

Na de oorlog heeft het NRK gegevens verzameld over Nederlanders die in Duitsland te werk zijn gesteld. Een groot deel van het NRK archief is verloren gegaan. Je zult dus niet altijd de naam vinden die je zoekt. Bijna alle gegevens zijn afkomstig uit Duitsland. Je vindt dus geen gegevens over Nederlanders die in Nederland (bijvoorbeeld vliegveld Venlo), Frankrijk (Atlantikwall) of andere Europese landen tewerk zijn gesteld. Verder staan er ook personen in met de Nederlandse nationaliteit die, soms al lang, in Duitsland woonden of verbleven, bijvoorbeeld i.v.m. werk of huwelijk.

In de indexen staan soms spelfouten, die kunnen niet gecorrigeerd worden. Als de persoon is geboren na 1922 en overleden is buiten Nederland, staat deze ook niet in de overzichten.

Het zijn bijna alleen namenlijsten met geboorteplaats, soms met huisadres. Je kunt zien waar de personen tewerk gesteld zijn. Soms staat het bedrijf vermeld, soms de fabriek, soms met adres, soms de tijd die men er verbleef, soms de gemeente, soms met een kleine toelichting, zoals “niet terug gekeerd verlof”. Soms gaat de lijst over een opname in een ziekenhuis.

Er staan dus geen uitgebreide verhalen over de betrokkenen. Maar toch kan het informatie geven waarmee verder onderzoek mogelijk wordt. Zeker als je weinig weet over de gezochte persoon. Enkele voorbeelden met dank aan Sjeng Ewalds en Jos Wolbertus.

 

2.- Zuckerfabrik Grosz Mahner in Salzgitter

Suikerfabriek Grosz Mahner, Salzgitter. Bron: Beitrage zur Ortgeschichte, Leuschner, Lux, Müller,Schmidt

Bij de namenlijst in het nationaal Archief over de arbeidsinzet bij deze fabriek staan bij haar naam diverse documenten met namen van mannen uit Tegelen. Hoewel er aan deze kant van de Maas geen kerkrazia’s plaatsvonden, staan er toch 7 Tegelenaren op deze lijst. Mogelijk waren zij ondergedoken aan de andere kant van de Maas of waren zij in de regio, of toch in Tegelen, op 7 of 8 oktober opgepakt. Wie waren deze Tegelenaren?

  1. George RM van Basten Batenburg *18-02-1924 Kasteellaan 4 Tegelen Ongehuwd
  2. Eugene OHM van Basten Batenburg *07-03-1926 Kasteellaan 4 Tegelen Ongehuwd
  3. HHJ op het Broek *18-08-1899 Gasthuisstraat 56 Tegelen Gehuwd, 5 kinderen
  4. Peter Paulus Lücker *06-10-1894 Hoogstraat 4 Tegelen Gehuwd, 4 kinderen
  5. L.M.Huys *25-11-1926 Spoorstraat 74 Tegelen Ongehuwd
  6. Theodorus Schell *02-10-1891 Steylerstraat 48 Tegelen Gehuwd, 5 kinderen
  7. Jac.Hub Schell *28-11-1924 Steylerstraat 48 Tegelen Ongehuwd.

Bron: Nationaal archief

Verder vinden we nog op de arbeiderslijsten van de fabriek:
– Hendrik G ter Brok *17.06.1889.

Een brief is van het “Deutches Roter Kreuz” (DRK) aan het Nederlandse Rode Kruis (NRK). Het blijkt dat zij te werk gesteld waren bij de “Zuckerfabrik” in Gross-Mahner bij Sallzgitter. Dat ligt onder Braunschweig bijna 400 km van Tegelen verwijderd. Op de lijst staan in totaal 150 namen.  Deze mannen zijn 8-10-1944 opgepakt bij de kerkrazia’s aan de overkant van de Maas in Noord en Midden-Limburg. Het vertrek was zo gehaast verlopen dat ze onvoldoende kleren mee konden nemen. In een eerste document in het Nationaal archief vraagt het Duitse Rode Kruis het Nederlandse Rode Kruis om de familieleden in te lichten over hun verblijfplaats en doet het verzoek om kleren en levensmiddelen op te sturen.

Namen van Tegelenaren die op de suikerfabriek onder erbarmelijke omstandigheden hebben gewerkt. (bron Nationaal archief)

De Kerkrazia’s in Noord en Midden Limburg in het najaar van 1944 staan uitvoerig beschreven in het boek van Fred Cammaert uit 1996 met de titel “Sporen die bleven”. Achter in het boek staan de namenlijsten van gedeporteerden uit de diverse dorpen. Er staan 150 namen in de brief van het DRK. Zij komen uit Sevenum 51, Grashoek 46, Helden 17, Helenaveen 8, Deurne 8 en nog enkele dorpjes.

George was dus samen met zijn jongere broer Eugene van Basten Batenburg. Eugene is 11-6-2020 overleden in Beegden. Van de familie Schell waren het vader en zoon.

George van Basten Batenburg (Nationaal Archief, collectie Indische Paspoorten)

Een tweede document is van de “Oberbürgermeister” in Watenstedt-Salzgitter aldaar met een lijst met namen van tewerkgestelden in de suikerfabriek gedurende de oorlog. Daarin staat dat zij van 13-10-1944 tot 28-11-1944 “Beschäftigt” waren op de suikerfabriek. Waar zij in de maanden erna te werk gesteld waren, kunnen we niet uit de papieren halen.

Een derde document meldt dat George van Basten Batenburg in het ziekenhuis (Städt.Krankenhaus Drütte im Über-Braunschweig) is opgenomen geweest van 25 tot 30-12-1944. De reden waarvoor staat helaas niet vermeld. Na een week kon hij blijkbaar weer terug naar zijn werk.

Op bladzijde 199 tot en met 201 beschrijft Cammaert in zijn boek het leven in de suikerfabrieken rond Salzgitter.
De eerste indrukken bij aankomst in Gross-Mahner waren vreselijk. We zagen daar Russen, Polen en Italianen, gehuld in lompen en met opgezwollen ledematen. Ze zagen er miserabel uit, geheel vermagerd en verarmd. Het merendeel kwam terecht in een smerig, van luizen vergeven barakkenkamp bij de fabriek. Er was vaak luchtalarm, soms gevolgd door bombardementen. Schuilen in Gross-Mahler was uit den boze. Met knuppels sloegen de bazen hun dwangarbeiders uit de bunker, terug de fabriek in. Voor zover zij na de bietencampagne niet werden overgeplaatst, moesten zij de fabriek poetsen en puin ruimen, tot in de verre omtrek. Sommigen moesten bij de gemeentewerken gaan werken, anderen moesten hout kappen in de omringende beukenbossen. De grootste pechvogels werden naar de ijzergieterijen van de Hermann-Göring-Werke gestuurd waar altijd arbeidskrachten nodig waren. Een aantal dwangarbeiders werd naar Polen doorgestuurd.
Rond 12 april 1945 kwamen de Amerikaanse pantsereenheden ter plaatse en was men bevrijd.

Deze zeven Tegelenaren zijn allen weer in Tegelen teruggekeerd.
Velen van hun zullen, na terugkomst, geprobeerd hebben om hun normale leven weer op te pakken. Bekend is dat de meesten niet spraken over deze uiterst ingrijpende ervaringen. Ook voor George van Basten Batenburg is de oorlog nog niet over. Hij vertrekt naar Nederlands-Indië waar hij als reserve luitenant bij het KNIL diende. In 1952 vraagt hij in Indië nog een paspoort aan en wordt als zijn beroep “planter“ genoemd.

 

3.- Krupp Essen, een kleine Tegelse kolonie

Ook Gerard Adams (30-7-1921 – 12-04-2009) werd voor de arbeidsinzet opgepakt. Zijn bestemming blijkt, volgens bovenstaand document, de gietstaalfabriek van de Firma Krupp te zijn geweest.

Maar Gerhard Adams was niet de enige Tegelenaar die bij gigantische staalfabriek werkte. In de lijsten, beschikbaar gesteld door het Nationaal Archief, vinden wij buiten Adams:

  • Beurskens, Peter 19-03-1923
  • Bongaarts, Wiel 26-11-1918 (zie ook apart verhaal verderop)
  • Bongaerts, Willem 23-11-1922
  • Cruysberg, Frits 25-7-1920
  • Deinum v, Johannes 14-7-1920
  • Dijk van, Mathias 25-3-1917
  • Doesborg, Johan 113-1923
  • Eijk van, Paulus 1-12-1918
  • Faassen, Jakobus 31-10-1915
  • Faassen, Johannes 6-3-1924
  • Göppel, Jakobus 6-11-1922
  • Hendriks, Wilhelmus 4-5-1922
  • Holtman, Jakobus 9-4-1923-
  • Hovens, Cuno 27-4-1912
  • Jansen, Gerardus 10-3-1920
  • Jomel van, JJ 15-4-1912
  • Joosten, Peter 12-1-1924
  • Roermermann, Mathias 18-9-1916
  • Saelmans, Stephan 9-1-1921
  • Verlinden, Hendrik 28-6-1922
  • Verscharen, Jacobus 24-3-1907
  • Vervoort, Lambertus 23-11-1922
  • Willemsen, Martinus 16-5-1922

Namen en geboortedata zoals geschreven zijn letterlijk overgenomen. Schrijfwijze en geboortedatum personen kan afwijken. Het kwam regelmatig voor dat arbeiders valse namen cq geboortedata opgaven.

Tijdens de Tweede Wereldoorlog werden hier in totaal meer dan 35.000 arbeiders ingezet. Van deze 35.000 kwamen er 3005 uit Nederland waaronder dus ook uit Tegelen.

Krupp was al lang betrokken bij de productie van oorlogsmateriaal. Al in 1934 en 1936 bezoekt Hitler de fabriek en de fabriek profiteert hiervan door grote orders binnen te slepen. In 1937 bezocht Hitler, nu vergezeld van Mussolini, de fabriek voor de derde keer.

Arbeiders kregen in het begin een arbeidscontract aangeboden. Men kon kiezen tussen een half jaar of een geheel jaar. Veel arbeiders die het contract uitdienden kwamen niet meer terug. Vertrok men eerder dam de contractdatum aangaf werd dit als “Vertragsbruch”aangezien. Dit gold ook voor Gerard Adams die het zelfs na een dag al heeft gezien.

Al voor de oorlog produceerde Krupp militaire vrachtwagens.  In de gietstaalfabriek, waar Adams blijkbaar een dag heeft gewerkt, werden ontstekers voor bommen gemaakt. In 1944 moesten de meeste vaste medewerkers ingezet worden om als soldaat de fronten te gaan bewaken. In plaats van geschoold personeel kreeg Krupp slechts enkele honderden Hongaarse vrouwen toebedeeld.

In 1943 werd de gietstaalfabriek voor het eerst aangevallen. Maar liefst 30.000 bommen vielen op zowel de fabriek alsook op de omringende woonwijken. In totaal is de fabriek 55 keer gebombardeerd. Een derde werd totaal vernield en nog een derde gedeeltelijk. Na de oorlog werd de fabriek grotendeels door de geallieerden ontmanteld.

.

De vernielde gietstaalfabriek van Krupp in 1945. Bron: Bundesarchiv, Essen

 

4.- Joachim Beurskens (1918-1987)

Joachim Beurskens begint op 13 juni 1943 bij de firma Henschel und Sohn in Kassel. Volgens de namenlijst van de firma Henschel zou Beurskens als adres Insulindenlaan 27 in Vlaardingen hebben gewoond. Of dit klopt, kunnen we helaas niet meer controleren. Was hij daar ondergedoken of woonde hij daar bij familie of vrienden in? We weten het niet.

De fabriek kende een tiental grote woonkampen waar de duizenden arbeiders werden ondergebracht. De leefomstandigheden waren slecht, onderling contact tussen de verschillende kampen en met de burgerbevolking van Kassel was ten strengste verboden. Arbeiders werden verplicht een bepaald quotum te halen. Werd dit niet gehaald dan verbleef men enkele weken in een apart kamp. Bij meerdere straffen bestond de mogelijkheid dat men naar een concentratiekamp werd gebracht. De kampen waren overvol, ongedierte en dus ook infectieziekten waren aan de orde van de dag. Werkdagen bestonden uit twaalf uur in de fabriek en twaalf uur in het kamp. Er was water tekort en de bewakers van de kampen sloegen te pas en te onpas de arbeiders. Maaltijden bestonden vaak uit dunne aardappel- of koolraapsoep.

Hoewel we geen schriftelijke bevestiging hebben kunnen vinden bestaat de mogelijkheid dat Joachim Beurskens in het kamp Henschel IX aan de Inringshauserstrasze in Kassel werd geplaatst. Dit grote kamp werd midden 1943 gebouwd en was namelijk uitsluitend bestemd voor “west-arbeiter”. Mannen uit Frankrijk, Belgie, Luxemburg, Italie en Nederland (bron: www.389id.de).

Henschel und Sohn staat voor de oorlog bekend om de vervaardiging van vrachtwagens, locomotieven maar ook tanks zoals de Panzer en de Tiger tank.  Deze twee laatste worden de belangrijkste producten gedurende de tweede wereldoorlog. Deze productie maakt de fabriek een uitgelezen doelwit om te bombarderen. De geallieerden bombarderen Kassel, de fabrieken en de treinstations voortdurend.

Tussen 1940 en 1945 zijn er 40 grote bombardementen uitgevoerd waarin in totaal 470.000 bommen op Kassel en omgeving neerkomen. Het grootste bombardement vindt plaats op 22 oktober 1943. Kassel wordt compleet in de as gelegd door de vele bommen die die dag op de stad vallen. Gelukkig overleeft Joachim Beurskens, in tegelstelling tot 283 andere dwangarbeiders, de bombardementen wel.

Op 4 april 1945 wordt de stad overgenomen door de Amerikanen. Joachim maakt dit niet meer mee. Volgens de gegevens van Henschel is Beurskens op 31 maart met ”onbekende bestemming” vertrokken. Terug in Tegelen besluit hij in december 1950 om te emigreren naar Australië. In 1987 besluit hij, ernstig ziek, terug te keren naar Tegelen. Enkele weken na zijn terugkomst overlijdt Joachim Beurskens.

 

5.- Wiel van Eijk (1921-1985)

Op regel 3 van dit overzicht van arbeiders van de firma Dynamit in Lichtenau staat Wilhelm Gerard van Biyk, geboren 26-12-1921. In werkelijkheid is dit Wiel van Eijk, geboren 26-11-1921, woonachtig in Tegelen, Industriestraat 41. Of Wiel zijn naam en geboortedatum bewust verkeerd heeft opgegeven om represailles richting zijn familie te voorkomen of dat de Duitsers, gewoon de naam verkeerd geschreven hebben, is helaas niet bekend. Volgens de opgave zou Wiel van Eijk bij Dynamit in 1942 gewerkt hebben.

Diep verborgen in het bos bij Fuerstenhagen lag tijdens het Derde Rijk een van de grootste explosievenfabriek van Duitsland. Al in 1936 werd door DAG, Dynamit Aktien Gesellschaft, met de bouw van de gigantische fabriek begonnen en in 1938 kon de productie van TNT worden opgepakt. De arbeidsomstandigheden waren verschrikkelijk. Zonder beschermingsmiddelen moesten gevangenen en dwangarbeiders werken met zeer gevaarlijke chemicaliën. Hoewel de westerse arbeiders het iets beter hadden dan de arbeiders uit het oosten (Hongaren, Oekraïners en Russen). De Duitse arbeiders waren er nog het beste aan toe met voldoende eten en zelfs filmvoorstellingen in de verschillende kampen.

 

Om geheimhouding te garanderen werd de officiële naam van de explosievenfabriek zo onschadelijk mogelijk gekozen: Fabriek Hessisch Lichtenau voor de recycling van chemische producten. Voor onofficiële correspondentie kreeg de explosievenfabriek de codenaam Friedland.

De medewerkers waren onder dreiging van straf tot geheimhouding verplicht. De angst voor represailles werd onder de bevolking aangewakkerd om te voorkomen dat zij kennis en aannames zouden delen.

Vanuit de lucht was de fabriek niet te herkennen, regelmatig vloog een Duitse verkenner over om te kijken of er verbeteringen aan gebracht moesten worden. Er waren zelfs 70 tuinmannen aanwezig om de camouflagemaatregelen op te pakken.

Het gehele fabrieksterrein was omgeven door een hoog hek met prikkeldraad en bewakers patrouilleerden eromheen. Toegang tot het werk was slechts bij enkele ingangen mogelijk. Wat moet worden benadrukt is de hoofdingang van het administratiegebouw met het grote keerpunt voor bussen, de zogenaamde “Lange Hessiërs” die arbeiders uit omliggende dorpen naar de fabriek vervoerden. Veel arbeiders uit nabijgelegen dorpen en kazernekampen bereikten de fabriek te voet.

Rondom de fabriek waren 10 kampen gebouwd voor de verschillende groepen arbeiders. Mogelijk dat Wiel van Eijk in kamp Waldorf of Herzog heeft gezeten. Beide kampen waren bestemd voor westerse arbeiders. De meeste arbeiders kampten met zware gezondheidsklachten door het werken met de zeer giftige stoffen.

De fabriek is door de geallieerden nooit gebombardeerd, zelfs tot op de laatste dag van de oorlog werd op het terrein nog verbouwd. Informatie met dank aan www.hirschagen.de, Ineke Giesen en Marcel Dings.

 

6.- Andreas D’Heur (1861-1945) 

Bij het zoeken naar namen bij de arbeidsinzet in Duitsland kwam Sjeng Ewalds de naam Andreas Dheur liefst 17 maal tegen. Het leverde veel dezelfde informatie op. Dat viel dus tegen. Na het bestuderen van de 17 brieven en het opzoeken van andere info op het internet kwam hij tot het volgende verhaal.

Andreas Josephus Egemius D’Heur werd op 18-08-1861 geboren in Tegelen. Hij was een zoon van Simon D’Heur die op 23-12-1834 in Seraing België was geboren. Deze was grafsmid van beroep en huwde op 21-2-1859 in Tegelen met Anna Catharina Hubertina Timmermans. Deze was op 16-8-1833 in Tegelen geboren als dochter van de veldwachter Andreas Timmermans en Sybilla Peeters. In 1859 en 1863 kregen zij 2 dochters en in 1861, 1868 en 1871 werden er drie zonen geboren. Op 20 januari 1873 vertrekt het hele gezin naar Meiderich in Duitsland. Dat is een wijk in Duisburg in het Roergebied. Daar zijn de ouders van Andreas blijven wonen tot hun overlijden.

Andreas behoudt het Nederlanderschap en het gegeven dat hij in de oorlog in Duitsland is overleden maakt dat hij op de lijsten van het Rode Kruis terecht is gekomen. Zijn beroep was hulparbeider en bij het overlijden was hij weduwnaar van Johanna van Eck. Op 3-5-1924 is er door het Nederlands Consulaat in Duisburg een “Reisepas” uitgereikt. Deze Reisepas is door het Schwedische Gesandtschaft in Berlijn op 12-5-1942 verlengd tot 29-4-1944. Hij is dus Nederlander gebleven. Op 27-7-1943 is hij opgenomen in het Altersheim van de Diaconessen in Schwäbisch-Hall. Deze plaats ligt in de buurt van Stuttgart op 440 km van Tegelen verwijderd. Op 28-1-1945 is hij hier door ouderdom in de leeftijd van 83 jaar overleden en op 1 februari begraven op het “Oberer Friedhof” aldaar, afdeling B, rij 8, nr.13.

Hij heeft dan een zoon Johan D’Heur die in Mülheim-Styrum woont en een dochter Katherina Herlyn-D’Heur die in Walsum-Vierlinden woont.

Andreas is dus niet door oorlogsgeweld om het leven gekomen. Naar aanleiding van dit onderzoek hebben we ook de naam van Andreas van de lijst met Tegelse oorlogsslachtoffers aan Duitse zijde gehaald. De gemeente Tegelen geeft in 1951 aan dat er ook geen familieleden in Tegelen meer wonen.

 

7.- Vader Gerhard (1890) en zoon Gerard (1924) Ficker

Gezin Ficker zonder zoon Gerard, 1943Vader Gerhard Albertus Ficker werd geboren 31.06.1890 in Nieuw Amstel. Zoon Gerard G.L.Ficker geboren 26 november 1924 in Amsterdam. Het gezin Ficker, ouders en vijf kinderen, woont gedurende de oorlogstijd op de Betouwstraat 19 in Tegelen. Het zijn vader Gerhard en zoon Gerard die beide opgeroepen worden voor de Arbeitseinsatz in Duitsland. Onderstaand verhaal kwam tot stand met dank aan Helmie Nieweg.

Collectie Helmie Nieweg

 

Gerhard Ficker is gemeenteambtenaar in Tegelen. Nadat hij weigert zijn werkzaamheden bij de gemeente uit te voeren wordt er gedreigd om zijn werkeloosheidsuitkering stop te zetten en te worden ingezet bij de Arbeitseinsatz. Vader komt terecht bij een weverij, de firma Doremanns Tuchfabrik, in Mönchengladbach waar hij uiteindelijk snel weer moet vertrekken. Doremanns Tuchfabrik maakte vooral kleding, het bedrijf bestaat nog steeds nu onder de naam Alberto. Aangezien de familiefoto in 1943 is genomen moeten we aannemen dat hij weer naar Tegelen is teruggekeerd. Wat er daarna gebeurd is onduidelijk. Duidelijk is wel dat hij vanaf januari 1945 als vermist wordt opgegeven.

Collectie Arolsen-Archives.org

Uit documenten via Arolsen-Archives lezen we dat hij in de periode 1941-1945 op verschillende plaatsen is vermeld. Van Kempen naar Mönchen-Gladbach om daarna in september 1944 weer naar Nederland te zijn vertrokken. Laatste bericht welke de opsporingsdienst heeft kunnen vinden is bericht dat hij in februari 1945 in Kempen zou zijn geweest.

Wat er met Gerhard na Kempen is gebeurd zullen we waarschijnlijk nooit te weten komen. In de jaren zeventig wordt hij officieel als zijnde overleden geregistreerd.

Ook voor gegevens van zijn zoon Gerard Ficker zoeken we op de website van Arolsen-Archives. Op de site van het Nationaal Archief, welke vele duizenden documenten over arbeidsinzet heeft open gesteld, vinden we namelijk niets van zowel vader alsook van de zoon.

Bij Arolsen vinden we een lijst met namen waaronder die van de zoon Gerard. Linksboven op de lijst staat een stempel met de aanduiding Backnang. Backnang blijkt een plaats te zijn in Baden Wuertemberg vlakbij Stuttgart, ongeveer 430 km van Tegelen.

Navraag bij het stadsarchief van Backnang levert inderdaad informatie op.

Inschrijfkaart van Gerard Ficker bij de firma Kaeble. (collectie stadsarchief Backnang)

Gerard blijkt op 2 maart 1943 tewerk te zijn gesteld bij de firma Kaeble, een groot Duits concern met het hoofdbureau in Backnang. Tijdens de oorlogsjaren maakt men hier trekmachines voor de luchtmacht om bijvoorbeeld vliegtuigen en andere zware voorwerpen mee vooruit te trekken. Gerard wordt hier als machinetekenaar te werk gesteld en verblijft in houten barakken aan de Schoentalerstrasze.

Op 21 april wordt Backnang door het Amerikaanse leger bevrijd. Enkele dagen later, op 25 april 1945 vertrekt Gerard Ficker weer naar Nederland.

Firma Kaeble, Backnang (collectie stadsarchief Backnang)

 

8.- Frits Gielen (1909) werkzaam in Prossen

Op 30 juli 1943 arriveert Frits Gielen uit Steyl in Kamp Amersfoort. Een landelijke oproep gericht aan alle voormalige soldaten van het Nederlands leger was de aanleiding voor Frits om zich te melden. Het beginpunt van een grote reis.

Op 19 augustus vertrekken ze, per autobus, naar Köningswartha. Köningswartha ligt plm 70 km van de Poolse grens. De dag na aankomst worden de mannen direct te werk gesteld in een munitiefabriek. In de hete brandende zon moet er hard gewerkt worden. In de 1e week ontvangt Frits nieuwe kleding, sigaretten, tabak en zeep. Op zondag mogen er wandelingen worden gemaakt. Hoewel alles vriendelijk klinkt moet er hard gewerkt worden (soms 15 uur/dag) en vallen er geregeld medegevangenen om van vermoeidheid. Op 9 september 1943 krijgt Frits een ongeluk. Een 40 kg zwaar granaatonderdeel van op zijn linker hand die dan ook zwaar gekneusd is. Frits mag drie en een halve dag in de barak blijven maar daarna wordt hij door de Franse dokter weer aan het werk gezet.

Nederlandse arbeiders in Prossen voeren hun eigen theatershow op (collectie Jan Gielen)

Rond 15 oktober verhuizen ze naar Prossen. Hier moet Frits en zijn medegevangenen werken in de veevoederfabriek Feldmochinger Kraftfutterwerk,  Arbeitskommando 1077 in Prossen. Hier verwerkt men diervoeder voor de 2,8 miljoen paarden die in de oorlog werden ingezet.  Vanuit het kamp moet men elke dag 50 minuten lopen naar de fabriek. Postelwitz was een Lager en Prossen was het Arbeitskommando met nummer 1077.

De fabriek was pas in 1941 gebouwd en voor die tijd dus erg modern. De arbeiders draaiden een drie-ploegendienst. Er werd veel gesaboteerd zodat de fabriek soms maar vier uur per dag kon draaien.

Collectie Jan Gielen

Hoewel er gewerkt moet worden hebben de arbeiders het, vergeleken met anderen, het niet slecht. Er is voldoende eten, er is vrijheid om het dorp, concerten en bioscoop te bezoeken. Inwoners van het dorp stellen zich niet vijandig op. Er wordt kerstmis gevierd, ze ontvangen voedselpakketten van thuis of van het Rode Kruis. Frits krijgt zijn tijd wel om.

Frits blijft tot 19 april 1945 hier werken.  Vanwege de dreiging van de Russische troepen en de vele bombardementen worden ze gedwongen om te voet naar Ottendorf te lopen. Een wandeltocht van circa 50 km.

Hier worden ze op 8 mei door Russische troepen bevrijd.

Uiteindelijk zal Frits, via vele omwegen, pas op 24 mei 1945 weer terug zijn in Tegelen.

 

9.- Piet Broekman (1916-1978)

In 2013 zetten Arno en Rob Broekman het geschreven dagboekje van Piet Broekman om in een klein boekje welk onder de familie wordt verdeeld. In het dagboek beschrijft Piet zijn “Arbeitseinsatz” bij Ruhrstahl AG in Hattingen waar hij gedwongen werd te werken en het onderduiken daarna.

Gedeeltes van het geschreven dagboek zijn letterlijk overgenomen uit het dagboek van Piet Broekman. Andere gedeeltes zijn samengevat door Jos Wolbertus voor de leesbaarheid van het verhaal.

Inleiding

1941-09 Piet Broekman

Piet Broekman werd op 23 september 1916 als 5de zoon geboren in het gezin van Piet Broekman en Wies Broekman-Hendriks wonende aan de Koningstraat 19 te Tegelen.

Het gezin had 6 zonen, Tuün, Haar, Nöl, Jan, Piet en Theo en 6 dochters, Mien, Leida, An, Wies, Nellie en Bets . Na zijn lagere schooltijd ging hij als knecht werken bij gerdeneers tot het einde van de dertiger jaren van de vorige eeuw. Zijn laatste baan als knecht was bij de Familie Hovens  wonende aan de Vrijenbroekweg in Tegelen. Daar leerde hij Martha Brummans kennen die daar ook woonde. Na die periode ging hij als oven-inzetter van gresbuizen werken bij de Fa. Paul Teeuwen Kaldenkerkerweg in Tegelen.

 

Familie Broekman Zomer 1947
Van links naar rechts: Tuün, An, Leida, Jan, Haar, Nellie, Mooder, Piet, Wies, Vader, Theo, Mien, Bets en Nöl

 

Dagboek van Piet Broekman geschreven in de periode  26 oktober 1942 tot Nieuwjaar 1945

Herinneringen aan mijn verblijf in Hattingen

           

                                                                       1942                                                         

Het is 26 oktober 1942 als Piet Broekman zich, conform zijn oproepkaart, meldt bij het Venlose arbeidsbureau. Talloze jongemannen zijn in deze periode opgeroepen om ingezet te worden in de Duitse oorlogsindustrie.

Theo gaat voorop met mijn koffer en ik volg met Martha die iedere minuut kan gaan huilen. Eindelijk zijn we in Venlo, eerst naar de arbeidsbeurs, daar krijg ik mijn papieren en een contract wat ik niet teeken en een reisgids voor de Duitsche taal nou die heb ik niet noodig. Op het station staan al verschillende jongens te wachten, net een troep schapen in groepjes bij elkaar en ze zeggen niet veel. Er zijn een paar bekenden bij waar je bij gaat staan. Het wachten duurt een eeuwigheid en eindelijk om 12.30 uur komt de trein en stappen we allen in.

De eerste stop is Kaldenkirchen. Als Piet uitstapt ziet hij circa 400 mannen staan met hetzelfde lot. Rijgen. Na controle van de bagage worden ze naar een zaal geleid waar ze een smaakloze koolsoep met wat brood krijgen.

Wij hebben ons uit de buurt bij elkaar gevoegd, we tellen en dan zijn we met dertien man, al direct een ongeluksgetal afijn daar geven we niet om, we vragen elkander de namen het zijn,

  • Wiel Janzen van de Reuver,
  • Jos Pijnenburg Reuver,
  • Sjraar Timmermans Belfeld,
  • Henk Simons Belfeld,
  • Louwrens Kierkels Belfeld,
  • Jeu Boots Belfeld,
  • Jan Hoezen Belfeld,
  • Piere Schouren Reuver,
  • Harry Reijnders Tegelen,
  • Hein Roemerman Tegelen,
  • Piet  Xhofleer  Venlo,
  • Wiel  Simons  Velden,
  • En ik Piet Broekman  Tegelen.

Lijst met namen met onder andere die hier onder genoemde Roemerman

Via Moenchen Gladbach, Krefeld, Duisburg en Essen bereikt men eindelijk de eindbestemming, Ruhrstahl AG, Heinrichshütte in Hattingen.

 

Als we daar aan komen is het kwart na negen we zijn moe van het hangen en het sleuren van de koffers. We gaan een glas bier drinken in de  wachtkamer in die tusschen tijd belt er een op naar de fabriek.

Ze willen ons eerst niet komen halen, maar de leider zegt als jullie niet komen gaan we morgen vroeg met de eerste trein weer naar huis. Dat helpt en tien minuten later komen twee grote wagens, die laden de koffers erop en dan gaan wij met de tram naar Welper naar het Lager.  Het is intusschen  elf uur geworden, in het lager is alles donker, we gaan naar den eetzaal en dan komt de Lagerfurher, we krijgen twee dekens en een kopje en dan krijgen we koffie. Slapen moeten we in de eetzaal want er is nog geen plaats ze hebben ons niet verwacht.

De volgende morgen ontvangen ze een karig ontbijt, worden ze gekeurd en vertelt dat ze worden opgeroepen. De groep benut de wachttijd om de stad te gaan bezoeken om te kijken waar ze terecht zijn gekomen. Teruggekeerd in het kamp krijgen ze eindelijk een barak toegewezen.

Toen we binnenkwamen viel je bijna achter over van de reuk, ze hadden de kamers ontsmet, er hadden Russen in gelegen en die hadden “springers”.  We gooiden de ramen open, maar dat hielp niet veel maar ja er is niets tegen te doen, maar zoo goed en zoo kwaad als het gaat zullen we ons maar behelpen. We hebben ons ieder een bed uitgezocht en een kast en nu uitpakken. In de kamer is een tochtdeur vier dubbele ramen, in het midden een grote kachel, die we direct aangemaakt hebben. Negen dubbel kasten, dito bedden twee boven elkaar, twee tafels, twee banken en 6 stoeltjes en dat is het hele inventaris. Onder mij slaapt Sjraar Timmermans, ik heb kast en bednummer 278, nou schrijven en dan maar naar de krip.

Op donderdag 29 oktober worden ze eindelijk te werk gesteld. Piet Broekman zijn fabrieksnummer is  61.29.103, zijn etensnummer 278.

Het werk is zwaar in de staalfabriek. Om 6 uur beginnen tot 8 daarna een kwartier pauze dan weer tot 12 uur weer ¼ uur rust en dan tot half vijf. Er moeten ook nachtdiensten worden gedraaid. Zondags heeft men de mogelijkheid om naar de kerk te gaan.

Al snel na aankomst in Hattingen vluchten de eersten weer naar huis. Anderen, welke verlof is verleend komen niet meer terug. De barak wordt leger totdat er Franse arbeiders bij worden geplaatst. “Ik versta er geen jota van” beschrijft Piet Broekman de nieuwe bewoners. Ook is er regelmatig luchtalarm en zijn er bombardementen. “Mooi vuurwerk”.

Diverse vluchtelingen werden weer opgepakt er verplaatst naar Anrath waar een gevangenis was. Hier werd men slecht behandeld, geen verwarmde cellen, weinig eten en bij bombardementen kreeg men geen toestemming om naar de bunkers te gaan.

 

20 November

Wat heb ik getwijfeld of ik ook zou gaan, ik heb vandaag niet gewerkt, geen zin. Wiel, Jan en Hein zijn naar huis, ze komen Maandag terug, ik wou eerst meegaan maar ik durfde niet goed ik heb het niet op de bajes[1]. Ze hebben brieven voor thuis en voor Martha, dus vanavond weten ze weer hoe het met me gaat. Wat zullen we volgende week smullen als ze ons pakjes meebrengen. Als ze nog maar terugkomen, het is nou zoo stil op de kamer, nou zijn er al 5 weg en Fransch kunnen we nog niet het is een brabbel taaltje, enkele woorden ken ik al.

Dat de fabrieksleiding niet altijd betrouwbaar was blijkt uit het feit dat Piet Broekman, ondanks zijn verlofpas niet met kerstmis naar huis mag. Om zelf te vluchten durft hij niet aan, enkelen zijn voor 4 maanden naar Anrath gestuurd en hij wil de gevangenis niet ruilen met de barak waar hij dan verblijft. Ondanks de weigering voor verlof wordt kerstmis toch een klein feestje.

 

Kerstmis 1942

Wat een feest vanmorgen om 5 uur naar de nachtmis. Om half acht weer naar het Lager. De mis was mooi maar toch onder de mis gingen mijn gedachte weer naar Tegelen, andere jaren was je thuis en nou, je mag er niet aan denken. De kachel is flink aan het branden, Charles had goed gestookt, er lag minstens een kruiwagen asschen voor de kachel. De wasch hangt door de gansche kamer. We hebben worst en spek gebraden en toen maar goed koffie gedronken.

‘s Middags kwam Sef zijn vader onverwachts die had rijstevlaai bij zich en die smaakte goed. En zoo gaat voor ons Kerstmis voorbij, geen mooie boel.

 

2e Kerstdag

We moeten werken, maar ik ga niet.

Samen met Sjraar Timmermans uit Belfeld op de foto in januari 1943 te Hattingen

Ondanks de vele aanvragen voor verlof duurt het nog tot 11 mei 1944 voordat Piet Broekman weer op verlof naar Tegelen mag. In de tussentijd bombarderen die geallieerden het Ruhrgebied en dus ook Hattingen.

Terug van verlof beschrijft Piet een van de ergste bombardementen op de fabriek.

 

15 Mei

Al word ik honderd jaar deze datum vergeet ik nooit. Vannacht om 2uur was het alarm en kreeg Esschen een beurt en gingen wij weer slapen. Om 4 uur sloeg men mij uit bed en vroeg ik wat is er toch, maar het volgende oogenblik was ik klaar wakker, ik hoorden een leven als een hel. Al de jongens waren op er waren vliegers ik trok vlug mijn schoenen aan mijn jas aan en toen naar buiten. Ik schrok me een aap het afweer maakte zoo’n leven, schijnwerpers en vliegers en bommen vielen en overal brand. Ik wilde weer naar binnen om mijn kleren te halen maar het dak branden al. Toen ik naar binnen wilde gaan kwam Toon naar buiten niet naar naar binen  er is een fosfor bom gevallen recht voor jou bed wij weer naar buiten de loopgraaf in en toen begon het lieve leventje ik dacht nou is het gedaan. Het heele Lager branden overal vielen brand en fosfor bommen. Ik maakte mijn akte van berouw en wachte toen gelaten af. Iedere keer als de vliegers over kwamen hoorden we de bommen op ons afkomen, het was dichtbij en ze maakten een snerpend geluid.  Zand en stof vlogen ons in het gezicht, het werd warm van het vuur en men kon haast geen ademhalen, zoo stonk de fosfor.  De loopgraaf stond barstens vol, vele met angst op hun gezicht, iedere keer als er een bom viel bukten we ons.

Het duurt tot 8 september 1943 voordat Piet Broekman weer een geldige verlofpas krijgt om naar Tegelen en naar zijn lief Martha te gaan. Het blijkt ook de laatste dag van hem in Hattingen te zijn, Piet besluit niet meer terug te gaan maar onder te duiken.

Daar is de grens en zijn we op Hollandsche grond, ik kan niet zeggen wat voor gevoel je krijgt van binnen, zoo iets moet je zelf mee maken. Daar is het station en dan staat de trein stil eruit en naar buiten, het is of dat ik me verander, je voelt dat je weer leeft. Ik zweet dat het barst en de koffers zijn zwaar. Ik vraag twee kleine jongens of ze naar Martha willen gaan, eentje gaat en na 10 minuten komt hij terug en zegt dat er iemand komt.

En nou kijk ik maar de weg af of ik Martha nog niet zie en dan op eens zie ik haar en zeg dan maar dat je geen zenuwen hebt. Wat een genot ik zou Martha wel willen knijpen, waarom weet ik zelf niet Maar ik ben blij, blij, blij. Even daarna komt Theo mijn koffer halen en dan gaat het naar huis en een uur later zit ik met Martha op de bekende sofa. En nou ben ik hier en blijf ik hier, ik ga naar Wiel in Belfeld, “Duiken” en dat is heel wat anders dan in Hattingen.

In de maanden die volgen beschrijft Piet zijn verblijf in de ovens van de firma Teeuwen waar hij, en andere onderduikers, in de gangen onder de ovens een schuilplaats hebben gebouwd. Momenten dat ze op het punt staan om ontdekt te worden, momenten dat hij de ovens verlaat om naar de Haandert te gaan om zijn vriendin te ontmoeten. Hij omschrijft de moeilijke omstandigheden tijdens de wintermaanden.

Op 1 maart 1945 wordt Tegelen bevrijd, iets meer dan een jaar later trouwt Piet met zijn Martha.

“Onze grote dag” Foto genomen 6 augustus 1946 bij de Haandert

 

Nawoord

Na deze zware en spannende periode trouwen Piet Broekman en Martha Brummans.  Op 6 Augustus 1946 werd de bruiloft gevierd op de Haandert alwaar ze ondergedoken waren.

De eerste jaren woonden ze in bij de ouders van Martha aan de Vrijenbroekweg. Hun dochter Marij werd hier in 1947 en hun zoon Arno in 1948 geboren. Daarna verhuisden ze in 1948 naar de Hoogstraat No. 49 in Tegelen, alwaar zoon Harrie in 1949, dochter Will in 1951 en dochter Margret in 1958 werden geboren.

Tot eind zestiger jaren heeft Piet Broekman gewerkt bij de Fa. Paul Teeuwen. De reumatiek waar hij al heel lang last van had heeft er toe geleid dat hij in 1970 is gestopt met werken. Een andere slopende ziekte heeft er toe geleid dat hij op 61 jarige leeftijd 27 mei 1978 in Tegelen is gestorven.

Na meer dan zestig jaar op de Hoogstraat te hebben gewoond is Martha Broekman, inmiddels 93 jaar oud,  al enkele jaren woonachtig in het Bejaarden Centrum “den Bongerd” in Tegelen.

[1] Hiermee bedoeld Piet Broekman de gevangenis in Anrath.

 

10.- Wiel (1918) en Frits (1925) Bongaarts

Wiel Bongaarts (collectie Loek Bongaarts)

In bovenstaand verhaal “Krupp, Essen, een kleine kolonie” staat een lijst met namen. Tussen al deze namen staat Wiel (Wilhelm Johannes) Bongaarts, geboren in Tegelen op 26 november 1918. Volgens de gegevens die we terugvinden op de namenlijst van de Guszstahlfabrik heeft Wiel hier slechts 3 maanden gewerkt, van 22 mei 1942 tot 14 augustus 1942. De fabriek geeft verder aan dat Wiel zijn contract niet heeft uitgediend door niet terug te keren van verlof of zelfs van een vluchtpoging. Arbeiders tekenden een contract variërend van een half jaar tot een jaar. De meeste dienden hun contract echter niet uit maar vertrokken bij de eerste de beste gelegenheid. Zo ook Wiel Bongaarts.

Frits in uniform arbeidsdienst (collectie Loek Bongaarts)

 

Wiel had ook nog een jongere broer, Godfried (Frits) Bongaarts. Frits werd weliswaar in Heerlen geboren (23 maart 1925) maar dit had te maken met het werk van zijn vader. Deze had namelijk werk gevonden bij de mijnen in Zuid Limburg en vandaar dat het gezin naar Heerlen was verhuisd. Later keerde men weer terug naar Tegelen.

 

Pas NAD. Collectie Loek Bongaarts. Opvallend is dat Frits zijn achternaam met AE ondertekend.

Amper 18 jaar oud krijgt Frits, destijds woonachtig op de Venloseweg 18 in Tegelen om zich te melden bij het arbeidsbureau in Venlo. Frits wordt verplicht gesteld zich te melden bij de Nationale Arbeids Dienst. Deze dienst, al in 1940 opgestart, was opgezet om werkeloosheid te voorkomen bij de vele werkeloze militairen maar ook om vrijwilligers te werven voor arbeid in Duitsland. Er waren echter maar weinig mensen die zich vrijwillig melden en daarom werd van 1943 de aanmelding verplicht gesteld. Zo dus ook voor Frits Bongaarts.

Frits wordt naar NAD112 gestuurd. Naar Marum in Groningen. Naar kamp Nuis. Hier wordt hij gedurende een half jaar, zijn “diensttijd” loopt op 15 december 1943 af, getraind om in kolonne te lopen. Zij werken bij het aanleggen van wegen en kanalen en in de landbouw. Ook leren de mannen exerceren met een schop aan de schouder. De training in de Nederlandse Arbeidsdienst was uiteindelijk erop gericht om de mannen op te leiden voor het graven van tankvallen en loopgraven aan het oostfront. Aan het einde van de dienstplicht werd de mannen een contract voorgehouden voor deze werkzaamheden. Bijna iedereen weigerde om te tekenen.

Frits keert terug naar Tegelen maar wil onder geen geding voor de Duitsers gaan werken. Hij vat dan ook het plan op om te vluchten naar de westzijde van de Maas, inmiddels bevrijd gebied.

Plannen worden opgesteld en vrienden worden ingelicht. Op 2 december 1944 is het dan zover. Frits heeft met zijn vrienden afgesproken dat als hij veilig aankomt aan de overkant van de Maas, hij met een rode zakdoek zal zwaaien. Zijn vrienden zullen echter tevergeefs wachten op het zwaaien meteen rode zakdoek.

Frits haalt weliswaar de oever van Hout Blerick maar wordt daar opgemerkt door de Duitsers die hem direct onder vuur nemen.

Frits zijn lichaam wordt echter pas op 7 maart 1945 geborgen. Het procesverbaal, opgemaakt op 9 maart vermeld:

Op 6 maart werd mij Simon Andriga, agent der gemeentepolitie te Venlo gemeld dat door enige N.B.S. leden (Nederlandse Binnenlandse Strijdkrachten, een lijk was gevonden van een mannelijk persoon bij de watermolen te Hout-Blerick aan de Maas.

Een dag later gaat de agent, samen met de burgemeester, een rode kruislid en enige NBS leden terug naar de plek waar het lichaam is gevonden.

Hier werd door mij aangetroffen het lichaam van een nog tamelijke jongeman, gekleed in zwemkostuum (zwembroek) met witte gummi riem, een dikke wollen borstrok en hierover een z.g. trainingsblouse, aan de voeten droeg hij zwarte gymnastiekschoenen.

Hij lag op de rug en vertoonde bij nader onderzoek een viertal schotwonden aan de achterkant van het lichaam.

In een zak, vastgebonden met een touw vindt met nog schone was, een portefeuille met papieren met onder andere zijn persoonsbewijs. Zodoende weet men van wie het lichaam is, Frits Bongaarts.

Frits wordt naar het lijkenhuisje in Blerick gebracht. Via de pastoor in Tegelen worden de ouders van Frits ingelicht over het overlijden van hun zoon. Vanwege gebrek aan vervoer wordt het lichaam tijdelijk in Blerick begraven. Later zal het verhuizen naar het ereveld in Loenen.

Uit rapportenboek 110 Gemeentepolitie Venlo (collectie Loek Bongaarts)

Met dank aan Loek Bongaarts

 

11. Mathieu Cleophas (1909-1991)

De op 8 maart 1909 geboren Jeu Cleophas komt op een vreemde plaats terecht, zeker vergeleken met de vele andere die zwaar werk moesten verrichten in de vele gieterijen in het Ruhrgebied. Jeu komt namelijk terecht bij de firma Ernst Wiebel in Moenchen Gladbach. De familie Wiebel heeft drie vestigingen in de stad. In een van de vestigingen hebben ze een Electro groothandel. Verder hebben zij zich gespecialiseerd in het vervaardingen van slagwerken voor klokken.

Bron: Nationaal Archief, Den Haag

Ook Jeu dient hier, zoals velen, een half jaar contract uit. Beginnende op 11 augustus 1943 eindigt hij zijn werkzaamheden in Moenchen Gladbach op 21 februari 1944.

Bron: Stadtarchiv Moenchen Gladbach.

Na de oorlog trouwt Jeu met Tiny Bisschops, op 1 juni 1991 komt hij te overlijden.

 

12. Baer Pelzer (1916-2001)

Hubertus Pelzer

Ook de op de Veldstraat 115 wonende Baer Pelzer ( 17.11.1916) moet zich bij het arbeidsbureau Venlo melden voor inzet in Duitsland. Na een gesprek met de heer Holthuis op 17 september 1942 krijgt hij een plek aangewezen in Recklinghausen en wel bij de Deutsche Reichsbahn. Baer wordt ingezet als Betriebsarbeiter oftewel hulparbeider voor de duur van minimaal een jaar.

Hoewel Baer weigert de arbeidsovereenkomst te tekenen wordt hij toch naar Recklinghausen gestuurd. Zonder ook verdere ervaring van treinen wordt Baer Pelzer als Aushilfsheizer op een trein gezet. Hij werd stoker en dat betekende dat hij de trein van voldoende kolen moest voorzien zodat deze bleef rijden.

Inschrijving arbeidsbureau Venlo (Bron: familie Pelzer)

 

Volgens verhalen zou Baer het getroffen hebben met zijn baas. Zijn vrouw smeerde zelfs boterhammen voor de arbeiders. Deze had begrip voor zijn situatie en gunde hem ook van tijd tot tijd een korte vakantie naar Tegelen. Vakantie naar Tegelen betekende korte ontmoetingen met zijn moeder aan de grens waarna hij weer terug moest. Maar hierdoor kon Baer regelmatig zijn smerige kleding verwisselen en schone was meenemen naar Recklinghausen. Ook had hij een verblijfsvergunning voor Recklinghausen zodat we kunnen aannemen dat hij zich redelijk vrij heeft kunnen bewegen.

Rittenkaart Baer Pelzer (bron: familie Pelzer)

Zijn laatste aanmerking in zijn rittenkaart is van 12 mei 1943. Baer heeft er dan 8 maanden opzitten. Of hij daarna niet meer is teruggekeerd of vrijgesteld is van werk weten we helaas niet.

Op 23 maart 1945 bombarderen Amerikaans vliegtuigen het station in Recklinghausen waarbij zowel gebouwen als ook de rails zelf totaal worden vernield.

Na de oorlog trouwt Baer met Grit Simons, op 4 juli 2001 komt hij te overlijden.

 

13.- Lijst Tegelse mannen en vrouwen in Arbeitseinsatz

Uit de Collectie Arbeidsinzet hebben we een overzicht gehaald van de Tegelse en Steylerse inwoners. Dit overzicht blijkt bij nadere analyse lang niet volledig; diverse personen staan wel op de documenten die te vinden zijn in de collectie, maar zijn niet terug te vinden in de lijsten. Daarnaast is van diverse personen bekend dat ze niet in de Collectie Arbeidsinzet zijn opgenomen.

Van de 250 personen overleefden 9 personen de gruwelijkheden van de oorlog niet. Ze staan op onze lijst van Tegelse oorlogsslachtoffers. Van de onderstaande 250 Tegelse en Steylerse mannen en vrouwen hebben we van 148 personen ook een bidprentje (zie ons bidprentjesoverzicht). Doordat diverse namen in de collectie niet juist zijn beschreven, weten we door het bidprentje wel de juiste schrijfwijze. Dit is in onderstaande lijst vermeld. Weet je meer over de periode van de Arbeitseinsatz van deze personen? Dan horen we het graag!

De lijst kun je sorteren door op de kolomtitel te klikken of gebruik de zoekfunctie als je een specifieke naam zoekt. Als er een groen plusje vóór de achternaam staat, kan je meer informatie zien door erop te klikken.

 

https://docs.google.com/spreadsheets/d/1k5-9mFGTedt1yJ8nuHbxEqkOq5F4F42EEMThFOY4np0/edit?usp=sharing

5 reacties

  1. Betreffende de lijst met mensen uit Tegelen : Mijn oom Willem Bongaarts (26-11-1918) staat er wel in, maar Frits Bongaarts (25-03-1925 – 03-12-1944) ontbreekt. Het bewijs is te vinden op mijn website onder http://loekzoekt.nl/Documenten.html.
    Daar staat een kopie van zijn pas voor de arbeidsdienst die hij voldeed in Haren (Groningen) als ik correct ben (112NAD)

    • Loek,

      Klopt, in de lijst staan alleen de namen van mannen die in Duitsland gewerkt hebben. Nationaal archief heeft , zover ik weet, geen verder onderzoek gedaan.

      Jos Wolbertus

  2. Mijn oom Lot Sprengers geb.17-61917, destijds wonend Maashoek 6 Steyl, heeft als dwangarbeider gewerkt in Stettin als schildersknecht. De briefwisseling tussen mijn vader Pierre Sprengers (geb.5-12-1906) en Lot is door de brand van ons huis verloren gegaan.
    Zijn dochter Rien Noten-Sprengers woont in het oude Sprengers-huis Maashoek 6, evenals zijn jongste zoon Geert, Maashoek 8.
    Je zou Rien kunnen mailen of zij meer weet ()

    • Huub

      Ik vind ene Sprengers 17.05 .1917 geb in Adam.

      Hebben we het hier over dezelfde persoon?

      Jos Wolbertus

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn aangegeven met *

Plaats reactie