De eerste oorlogsherinneringen van Frans Leenen (11.12.1923) dateren van net voor het begin van de oorlog. Frans werkte als 16 jaar in Nabben onder een Duitse baas, Herrn Menninger.  In Nabben maakte zij Keulse potten. Al voor de inval van de Duitse bezetter had Frans met deze heer discussies over Hitler. Menninger: “Pas maar op, de soldaten staan al klaar in Kaldenkirchen” Hierop nam Frans, naar zijn zeggen, ontslag en is nooit meer terug gekeerd.

Frans zijn ouders waren, net voor de oorlog, met hun kruidenierswinkel verhuisd van de Hoogstraat naar de Mariastraat. In het pand op de hoek van de Nachtegaalstraat/Mariastraat openden zij een nieuwe kruidenierswinkel annex postkantoor. (nu cafe D’n Tunnel, jw)  Post zal Frans zijn hele leven lang achtervolgen, zelfs in oorlogstijd. “Bij de inval van de Duitsers werd gelijk onze hele winkel leeggeroofd en konden pap en mam opnieuw beginnen. Mijn vader was een fervente duivenliefhebber. Hij had een kampioen in zijn hoek die op dat moment al drie keer Barcelona had gewonnen. Hij was super trots op zijn duiven, volgens mij vond hij ze nog belangrijker dan zijn vrouw.”

Al vanaf 1940 hielden de Duitse bezetters duivenmelkers goed in de gaten. Duiven konden namelijk gebruikt worden om berichten door te geven. Op een dag was ook de vader van Frans Leenen aan de beurt. Ze kwamen zijn duiven ophalen. Frans: “Vader was een sterke man maar toen zijn duiven werden weggehaald was hij gebroken. Hij heeft daarna nooit meer duiven gehouden.”

In 1942/1943 werden Tegelse mannen opgeroepen om ingezet te worden voor de Arbeitseinsatz in Duitsland. Zo ook Frans. Hoewel hij een briefje had van Dr. Rahier waarin stond dat hij al 11 weken aan difterie leed moest hij zich toch melden in Venlo voor keuring. Daar werd het doktersbriefje voor kennisgeving aangenomen en werd hij goedgekeurd. Bij inschrijving deed Frans nogmaals zijn beklag dat hij goedgekeurd was ondanks zijn ziekte. Frans: “Achter het bureau zat ene Driessen. Deze is het doktersbriefje gaan halen en verklaarde mij ongeschikt voor zwaar werk. Is moest me melden in Lobberich bij ene Marks waar ik te werk werd gesteld bij de postsortering. Wagons vol post kwamen in Lobberich aan en ik moest, samen met anderen, deze sorteren.”

“In 1944, ik kwam toen terug van mijn werk in Lobberich, kreeg ik opeens in Tegelen te horen dat ik moest onderduiken. Ik zou gezocht worden. Tot op vandaag weet ik nog steeds niet waarom. Ik ben toen ondergedoken en niet meer terug gegaan naar Lobberich.”

Een apart voorval was het “riem-incident”. Frans: “Ik had een Duitse riem bemachtigd met op de gesp een Duitse adelaar. Die had ik er af gevijld. Ik werd toen aangehouden door een Duitser en we kregen de grootste ruzie over de riem. Ik ben er toen maar tussenuit gegaan.”

Na de oorlog meldt Frans Leenen zich als vrijwilliger in het NL leger. Hij wordt ordonnans en mag met een Canadese motor door geheel Nederland rijden. Zijn post is Den Haag. De broer van een collega van hem werkt op dat moment bij de post. De collega vraagt of Frans geen zin heeft om ook voor de post te komen werken. En daar keert, na het postkantoor van zijn vader, de arbeitseinsatz bij de oorlogspost in Lobberich, voor de derde keer in zijn leven de post terug. En dat zal hij blijven tot aan zijn pensionering.

Frans Leenen zijn vrouw, Mia Didden (12.08.1926) moest tijdens de laatste oorlogsjaren evacueren. Zijn woonde met haar ouders in de Maashoek, pal naast de Maas. Het gebied werd als sperrgebiet aangemerkt en Mia vertrok naar de Mariastraat waar Frans woonde. Mia: “Wij sliepen met een man of 20 in de kelders van de H.Hart kerk. Af en toe gingen we terug naar Steyl. We hadden namelijk onze inmaak in de tuin ingegraven en als we zonder zaten gingen we deze uitgraven. Op een gegeven moment waren we weer in Steyl, het was bar koud en we besloten de kachel in ons oude huis aan te maken om ons op te warmen. Echter dat was geen goed idee. De Engelsen aan de overkant van de Maas zagen de rookpluimen door de schoorsteen komen en even later vlogen de granaten al rond. Een voltreffer op ons huis, de schouw zakte door de zoldervloer zo op het bed. Zelfs de Duitsers kwamen nog even kijken wat er gebeurd was.

Op de vraag wat zij gemerkt had van de inval van de Duitsers vertelt ze: “eigenlijk helemaal niets. Net voor de inval patrouilleerden de Nederlandse soldaten door Steyl, ook ’s nachts. Mijn vader ging dan ’s morgens met een dienblad vol koffie naar de jongens toe. Ook de dag van de inval. Toen hij echter de koffie wilde aanreiken merkte hij dat het Duitse soldaten waren. Zo weinig hebben wij ervan gemerkt.”

 

Interview met Frans Leenen en Mia Leenen – Didden, Bongerdstraat 255.

Tegelen, 10.4.2015.

Geef een reactie

Uw e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Velden met een sterretje zijn vereist *

Velden wissenVerzenden