Baer Gubbels
Touttie Aboutie (1895-1930)
Portret Jan Gubbels (1925-2011)
Jan Gubbels rechts met aap

Bij de geboorte op 30-10-1890 in Tegelen kreeg Baer de doopnamen Ludovicus Hubertus. Baer was dus zijn roepnaam. Hij was een zoon van Johan Hubert Gubbels (1866-1953) en Anna Maria Timmermans (1865-1925). Zij woonden op de Kaldenkerkerweg en later de Brachterweg. Zij kregen tussen 1889 en 1914 elf kinderen. 3 kinderen overleden met 2, 7 en 22 jaar. Baer was het 2e kind. Hij had 5 zussen en 3 broers.
In 1913 tekent hij een verbintenis voor zes jaren bij de Koloniale troepen (KNIL) die ingaat op 6-3-1913. Hij krijgt een premie van fl 250,- waarvan fl 75,- werd ingelegd op de Rijkspostspaarbank. Op 21-1-1919 werd hij korporaal. In Indië huwde hij met de Christenvrouw Tuttie Aboutie die 10-03-1895 werd geboren in Koedoe bij Semarang als dochter van Jacob Aboutie en Nj.Kasinrah. Op 13-10-1922 werd dochter Eugenie geboren.
Een zoontje overleed als baby. In 1923 vertrekt het gezin naar Nederland en vestigde zich in Tegelen. Hier werden op 2-5-1925 Jan en op 13-10-1927 Adriaan geboren. Helaas werd de dochter ziek en sterft op 20-2-1929 op de leeftijd van 6 jaar. Ook moeder werd ziek en stierf op 23-2-1930 op de leeftijd van 34 jaar.

Met kerstmis 2005 schreef Louis Orval zijn herinneringen aan Baer en Tuttie op (zie hieronder). Hij kende Baer en zijn zoon Jantje erg goed omdat zij jarenlang bij hun gezin inwoonden.
Dit verhaal werd door de zoon Jos Orval in mei 2025 ingeleverd bij de Indië-tentoonstelling die wij organiseerden op de Kerkstraat.
Hij leverde ook een houten paraplu uit Indië in die de grootmoeder Truus Orval-Valentijn in 1929 had gekregen van Tuttie Aboutie. Zij kreeg die paraplu omdat zij de zorg voor Baer en Jantje op zich zou nemen.

 
Jos Orval gaf aan dat als er nazaten van Baer naar de tentoonstelling zouden komen zij die paraplu mochten hebben. Een week later kwam de zoon John Gubbels naar de tentoonstelling kijken. Zijn vader Jan en de jongere broer Adriaan dienden beiden in Indië.
En zo kwam de mooie houten paraplu uit Indië na bijna 100 jaar weer in het bezit van nazaten van Tuttie Aboutie.

Jan Gubbels diende van 22-10-1946 tot 19-02-1950 in Indië bij het onderdeel 3-14-RI
Adriaan Gubbels diende van 30-01-1948 tot 16-03-1950 In Indië bij het onderdeel 5-6-RI
Van Jan Gubbels hebben wij ook enkele foto’s gekregen van zijn tijd in Indië.
In Tegelen had hij de bijnaam “Jan de Nikker”. Toen gewoon, maar daar hoef je nu niet meer mee aan te komen. Ik denk dat dit het eerste gezin met een kleurtje in Tegelen was.

John vertelde dat zijn vader Jan zich in Indië soms moest verkleden als inlander en dan vooruitgestuurd werd om de boel te inspecteren en te bespioneren.

Het onderstaande verhaal is geschreven door Louis Orval in 2005. 

Als ik in het oude liedjesschrift van mijn Moeder op zoek ben naar het lied wat zij zo graag voor ons zong kom ik voor een geheel onverwachte verrassing te staan. Beelden uit mijn jeugd komen mij helder voor de geest bij het lezen van het lied dat gezongen werd door een vroegere huisgenoot Baer Gubbels. Vroeger noemde men iemand kostganger, nu noem ik hem met respect huisgenoot. Twee liedjes die hij zong maakte in mijn jeugd veel indruk op mij en later kwam ik er pas achter dat die twee liedjes herinneringen bij hem opriepen. Herinneringen aan zijn tijd als koloniaal in het vroegere Nederlands-Indië.
Een lied “De laatste Vaderkus” riep schijnbaar zeer gevoelige herinneringen op bij Baer en ik hoor hem in gedachten nog dit lied zingen met zijn licht vibrerende stem. Ik vond dit lied in het liedjesschrift van mijn Moeder. Het andere lied wat hij zong heette “Sarina, het kind uit de Dessa”, maar ik ken jammer genoeg niet meer de tekst van dit lied.
Het lied “De laatste Vaderkus” zong Baer meestal als hij iets gedronken had en droevig gestemd was en daar had hij ook wel genoeg reden voor want hij was Indië en zeker zijn vrouw nog niet vergeten. Maar nooit was hij lastig of vervelend als hij gedronken had, eerder bedroefd en stil. Hij ging zaterdags als hij het werk er om 13.00 uur op had zitten naar café de Steenrots van Baer van Sander Op het Veld. Hij ging altijd op dezelfde plaats zitten, alleen en op de hoek van een lange tafel, praatte met niemand en liet zich dan vol lopen met jonge klare en liep dan slingerend met de fiets aan de hand naar huis. Ik weet dit van mijn oom Baer, zoon van de eigenaar van de Steenrots.
Het drinken had hij geleerd zoals hij mij zelf vertelde van een toenmalige vriend in Indië. Deze vriend was ook een Tegelenaar en tolk aan de rechtbank in Soerabaja en het drinken was zoals bij vele kolonialen een kortstondig recept tegen heimwee. Voor zover ik weet is er in Tegelen nooit veel contact meer geweest tussen Baer en die vroegere vriend Eugene Orval. (Dat kon ook niet, Eugene Orval kwam pas in 1950 uit Indië terug -SjE).
Baer Gubbels was, en zeker in zijn uniform, een grote en zeer goed uitziende militair. Een foto van hem heb ik enkele jaren geleden aan zijn zoon Adriaan gegeven die er erg blij mee was. Als jonge man had hij als koloniaal getekend zoals het vroeger heette en was naar het toenmalige Nederlands Oost-Indië gegaan en had daar, zoals hij wel eens vertelde, zeker als soldaat, veel meegemaakt, maar had geen hekel aan de bevolking maar wel aan de Hollanders gekregen die het Indische volk zwaar onderdrukten en misbruikten.
Hij had gevochten op Atjeh tegen de zogenaamde opstandelingen die zelfs hun leven wilden opofferen in hun strijd voor de vrijheid en tegen de bezetters. Zij, de Hollanders mochten als er een opstand tegen de Hollandse bezetting uitbrak en die ze zelf uitlokten, best wel opstandelingen doodschieten maar ook niet te veel want er moesten er zoveel als mogelijk levend gevangen genomen worden. De Hollandse regering had die krijgsgevangenen nodig om als koelies te werken voor het aanleggen van spoorlijnen en wegen. Zij waren mede met de Engelsen een van de eerste oprichters van concentratiekampen, toen nog werkkampen genaamd. Hij sprak vloeiend de Maleise taal en had absoluut geen hekel aan de Javaanse bevolking en huwde met een Javaans meisje uit de militaire stand.
Haar naam was Tutti Aboutie.
Na zijn diensttijd ging hij met zijn gezin terug naar Holland en ging in Tegelen wonen op het Emmaplein (1923 SjE). Veel geluk heeft hij na zijn terugkeer niet gehad. Zijn vrouw kreeg heimwee en werd ziek. Mijn ouders waren bevriend met hun en zeker mijn Moeder heeft Tutti van zeer nabij meegemaakt. Een zoontje stierf erg jong en het dochtertje Nonni krijgt een voor die tijd ongeneeslijke ziekte aan haar arm of hand. Ik kan me nog herinneren dat ze hiermee in de zon moest gaan zitten zodat de zon haar misschien kon genezen, maar het hielp niet. Zij stierf zeer jong, ik dacht met 6 jaar oud (1929 SjE) en ik zie nog het donkere meisje op het witte bedje liggen. Zijn was een heel stil en braaf meisje. Zijn vrouw werd ernstig ziek en wordt in het ziekenhuis in Tegelen opgenomen en heimwee naar haar geliefd Indië deed de ziekte nog verergeren. Tutti was erg geliefd bij haar medepatiënten en bij de zusters die haar verpleegden maar ze ging hard achteruit en er was geen redding meer voor haar. Hoelang zij in het ziekenhuis in Tegelen heeft gelegen weet ik niet, wel dat ik samen met mijn Moeder haar daar bezocht. Als zij het einde voelt naderen laat zij Moeder roepen. Op haar sterfbed heeft zij nog een laatste wens aan mijn Moeder. “Truus, als ik er straks niet meer ben, wil jij dan voor Baer en een van de jongens zorgen en in huis nemen”. Hierbij moet mijn Moeder haar hand vasthouden en haar dat beloven. Ik weet zeker dat niemand in die zware tijd, buiten haar man, haar zo dichtbij stond als mijn Moeder. Mijn Moeder heeft deze wens gerespecteerd en vervuld en werd ons huisgezin met twee personen uitgebreid. Ik weet zeker dat mijn Moeder alles gedaan heeft om Baer en toen nog Jantje een nieuw thuis te geven. De andere zoon Adriaan ging naar een broer van Baer. Ik kon mij later pas voorstellen hoe zwaar Baer het in die tijd gehad moet hebben maar dat het ook voor mijn ouders niet gemakkelijk was deze laatste wens te vervullen.
Baer heeft zich daarvoor altijd dankbaar getoond en zeker mijn moeder gerespecteerd en gewaardeerd. Van Baer heeft voor zover ik weet nooit iemand last gehad. Hij was een rustige man en was blij dat er zo goed voor hem en zijn zoon gezorgd werd. Tante Truu was, zoals Jan haar noemde, net zo goed voor hem als voor haar eigen kinderen, er was absoluut geen verschil.
Op zondag gaf Baer Zondagsgeld, een dubbeltje. Drie centen voor mij en drie centen voor mijn zus Truusje en Jantje mocht de resterende vier centen hebben, een cent meer, maar waar hij echt niet gierig mee omging tegenover mijn zus en mij.
Een tijdlang is hij commandant van een Tegelse schutterij geweest, iets wat hem wel lag vanwege zijn militaire opleiding en zie hem nog soms lichtelijk beneveld langs de groep lopen en commando’s geven aan de soms nog meer benevelde leden van de schutterij, zeker als bij het vogelschieten de vogel afgeschoten was en de koning bekend was.
Hij was een goede werker en collega en werkte voor zover ik mij kan herinneren als oven-uitzetter bij Russel op de Hei toen hij en zijn zoon bij ons kwamen wonen. Hij kon goed opschieten met zijn collega’s onder andere de Roeije van Lamers, Tinus de Bitter en Graad Knops, met hun drieën vormden zij een vaste uitzetters ploeg.
Een tijdlang is hij weggeweest bij ons en bij Moar van de Krauw in de kost geweest maar niet erg lang. Ik weet bijna zeker te weten wat toen een van de belangrijkste reden van het weg gaan bij ons is geweest. Het huwelijk tussen mijn ouders liep stuk en Baer was helemaal niet te spreken over wat mijn vader deed. Hij had te veel respect voor mijn Moeder, zeker omdat zij zich aan de laatste wens van zijn overleden vrouw had gehouden.
Om welke reden hij niet meer bij Russel werkte weet ik niet maar toen ik terugkwam uit Duitsland werkte hij bij de Tegelse Keramiek, later was hij stoker van de elektrische ovens s’nachts. Hij was zeer plichtsgetrouw en werd door iedereen gerespecteerd als een fijne collega. Vooral de bedrijfsleider van de keramiek Jac Bongaerts kon genieten van zijn verhalen over zijn tijd als soldaat in Indië en die Baer om ze nog spannender te maken iets aandikte.
Als hij vanuit Indië minder prettige berichten krijgt en hoort hoe gevaarlijk het er is voor onze Hollandse jongens gaat hij psychisch achteruit en wordt steeds stiller en in zichzelf gekeerd. Zijn twee zonen Jan en Adriaan zijn daar, om onder moeilijke en gevaarlijke omstandigheden de Nederlandse belangen te verdedigen. Hij is erg bezorgd om hun lot en hij veranderd zienderogen en is niet meer dezelfde Baer als voorheen. Het lopen gaat ook steeds slechter en op het werk is hij ook bijna niet meer te handhaven. De anders zo secure en betrouwbare stoker van de ovens gaat kostbare fouten maken en is niet meer te handhaven in deze functie. Hem ontslaan wil de directie niet, dus wordt hij verzocht zich ziek te melden wat hij dan ook doet. Was hij tot voor kort nog stil en in zichzelf gekeerd, nu gebeurt het tegenover gestelde. Hij blijft constant aan het praten en gaat vreemde en soms komische dingen doen. Wij thuis weten wat er aan de hand is en accepteren dat. Al wordt het soms wel een beetje moeilijk, kwaadaardig of boos is hij is echter nooit.
De laatste weken van zijn leven gaat hij erg snel achteruit en wordt hij zwijgzaam en weet zich geen raad meer en is ook bijna niet meer aanspreekbaar. Als ik na twaalf uur thuiskom van Annie, is hij meestal nog op en dwaalt wat rond, niet wetende waar hij het zoeken moet. Wij thuis voelen dat er iets gaat gebeuren maar staan machteloos. Hij wil ook nergens meer over praten. Hij is het leven meer dan zat. Op een avond als ik na twaalf uur weer thuiskom staat hij tegen de deur van de achterbouw aangeleund. Hij kan bijna niet meer lopen en is totaal van streek. ”Wie, laat mij door want ik weet niet wat er gaat gebeuren”. Enkele dagen later weet ik zeker dat ik de laatste ben geweest die Baer levend gezien heeft. Hoe hij dat stuk naar de hijskraan van Herfkens aan de Maas heeft kunnen afleggen is een raadsel want hij kon alleen nog maar strompelen. Ik heb mij achteraf wel eens een verwijt gemaakt maar had hem toch niet van deze gedachte af kunnen brengen. Hij was het leven meer dan moe.
De begrafenis was sober en eenvoudig, net zoals hij geleefd had. Tijdens zijn laatste tocht werd de lijkwagen met zijn stoffelijk overschot geflankeerd door zijn broers. Het lijk mocht tijdens de dienst niet in de kerk want zelfmoordenaars krijgen geen volledige christelijke begrafenis. Zie nog de kist tijdens de dienst buiten de kerk staan waaruit roodgekleurd water druppelt. Hoogstwaarschijnlijk is hij, gezien de verwondingen door een schroef van een schip geraakt, maar niemand heeft hem daarna nog mogen zien.

Uit respect voor Baer heb ik deze herinnering geschreven

Louis Orval, Tegelen, Kerstmis 2005

De laatste Vaderkus

1.
Kom Vader zet U bij mij neder
Geef mij een hand en zie mij aan
Zeg Vader wilt ge ’t mij vergeven
Als ik u soms heb leed gedaan
Voorzeker ik zal niet lang meer leven
Ik ben zo ziek, zo zwak zo moe
Daar Vader als ik nu moet sterven
Ga ik immers naar mijn Moeder toe

2.
Mijn speelgoed Vader wil het bergen
Och berg het goed en veilig weg
Dan kunt Gij later bij ‘t aanschouwen
Steeds aan zoontje denken zegt
Ik ga nu naar de hemel henen
Daar is geen ziekte of geen pijn
O kus mij Vader, ik ga sterven
En zal weldra bij mijn Moeder zijn

3.
En Vader als mijn makkers komen
En schreiend op het kerkhof staan
Zeg hen dan dat ik naar de hemel
Waar Moeder is ben heen gegaan
Ja Vader als ik ben gestorven
En rust in het graf verlost van pijn
Mijn geest zal altijd U omzweven
Hij zal gestadig bij U zijn

4.
Vergeef mij Vaderlief vergeef mij
Ween toch niet het doet zo pijn
O, kus mij Vader ik ga sterven
Zal weldra bij Moeder zijn
Daar hebben wij dan eeuwig vruegde
En weldra ook verwachten wij U
Druk mij dan tot ons wederziens
En geef de laatste kus mij nu