Onderstaand verhaal ontvingen we van Jan Titulaer. Hij schreef dit mooie verhaal in juni 2020 over zijn oom Eugène (Sjaen) Orval en tante Lucie Dis, wonende aan de Plataanstraat in Tegelen. 

Mijn zus en ik praten graag over vroeger, zij weet veel meer details dan ik. Soms denk ik: ‘Verdomme, daar moet ik iets over schrijven’. Deze keer een ode aan mijn tante Lucie.

Mijn oom Eugène Louis André (Sjaen) Orval is geboren 16-02-1892 in Tegelen als zoon van Andreas Nicolaus Joseph Orval en Gertrudis Hubertina Dambacher. Eugène overleed, net geen 82 jaar oud, op 03-02-1974 in Tegelen. Hij trouwt op zijn verjaardag op 16-02-1921 in Semarang[1] met Lucie Dis, geboren 04-02-1896 in Semarang, overleden 24-07-1983 in Venlo. Zij was de dochter van Nawi Paket Jan Abelai (de Christen Afrikaan) en Johanna Louisa Dis[2] (*1866 +1902). Lucie had nog een oudere zus Emma Wilhelmina (*1892) en jongere broer Joseph Alfred Louis (*1898). Eugène en Lucie gingen na hun trouwen wonen op de Nangkalaan 96 in Bandoeng en kregen twee kinderen:

  1. Pierre André Hubert (Dries); geb.18-05-1922 Semarang, ovl. 28-08-1948 Batavia
  2. Hubertina Johanna Susanna (Tina); geb.28-07-1925, Tegelen, ovl.28-02-1983 Amsterdam[3]

Eugène was de oudste zoon in het gezin Orval-Dambacher. Het verhaal wil dat hij verliefd werd op zijn nichtje, Susan van ome Lotje. Maar dat kon absoluut niet in die tijd. En of dit zijn besluit heeft beïnvloed om zich te melden bij het Koninklijk Nederlandsch-Indisch Leger (KNIL) weten we niet, maar lijkt wel waarschijnlijk. Mijn moeder had het verdriet van haar oudste broer van nabij gezien. Wanneer Eugène naar Nederlands Indië vertrekt is niet bekend, maar dat zal omstreeks 1916 zijn geweest. Eugène werkt zich op in het 2e Garnizoen Batavia A&O tot sergeant 1ste klas infanterie en staat ook ergens vermeld als opzichter bij de dienst ter pestbestrijding. De regeling was dat je iedere zes jaar voor een half jaar op verlof mocht naar Nederland. Het zal voor de eerste keer zijn dat hij op woensdag 8 november 1922 ’s middags om 12 uur vertrok met de SS Insulinde van Batavia via Padang, Suez en Marseille naar Rotterdam. Op de passagierslijst staan vermeld Eugène, Lucie en hun baby. Wat zal hij trots zijn geweest om zijn vrouw en kind voor te stellen aan zijn ouders op de Hoogstraat in Tegelen.

In 1925 verblijft het gezin ook in Nederland, Lucie is in verwachting van haar tweede kind. De mooie donkere vrouw valt wel erg op in Tegelen. Er zijn nog maar heel weinig donkere mensen, en dan zeker niet getrouwd met een Tegelse jongeman. Als ze voor ’n half jaar in Tegelen zijn betrekken ze twee kamertjes in het ouderlijk huis van Eugène. Mijn moeder is dan nog niet getrouwd en ze bouwt een hechte band op met haar lieve schoonzus. Lucie komt overdag niet buiten omdat ze zich teveel bekeken voelt, maar elke avond als het donker is vraagt ze mijn moeder: ‘Tuutje, zullen we een stukje gaan wandelen’.  Op een avond lopen ze stevig gearmd over de Grotestraat, Lucie met haar dikke buik. Haar tweede kindje is op komst. Ze heeft dat vervelende opstapje voor een van de deuren niet gezien en valt voorover op haar dikke buik. Mijn moeder helpt haar verschrikt weer overeind nadat Lucie een oer-Hollandse vloek heeft laten horen: ‘Godverdomme’. Op 03-11-1926 vertrekt het mailschip Slamat van Rotterdam naar Batavia, op de passagierslijst staan Lucie Orval-Dis en haar twee kinderen.

In 1940 zouden Eugéne, Lucie en de twee kinderen weer met verlof komen naar Tegelen. De ouders en schoonouders zouden hun gouden bruiloft vieren op 9 juni. Maar inktzwarte wolken belemmerden dat het een stralende dag zou worden. In de aanloop naar de Tweede Wereldoorlog kwam hun kleinzoon Henk Peters om het leven. Op 8 september 1939 liep de mijnenveger Willem van Ewijck op een ‘eigen’ zeemijn, Henk werd nooit gevonden. Op 10 mei 1940 vielen de Duitsers ons land binnen, precies één maand voor hun gouden huwelijk. In een interview van de Limburger Koerier van zaterdag 8 juni 1940 laat het gouden bruidspaar optekenen: ‘En we dachten, dat ook onze zoon, die in het Nederlandsen-Indische leger dient en wiens zes jaren nu om zijn, op het gouden feest zou zijn, maar dat gaat nu niet’.

Maar het zou nog erger worden voor Lucie en Eugène. Op 7 december 1941 was de Japanse aanval op Pearl Harbor, de wereld stond in brand. Eugène werd in Kota Radja[4] krijgsgevangen genomen. In het Nationaal Archief vonden we zijn Japanse interneringskaart. Hij werd overgebracht naar POW[5]-kamp nr.482 in Siam (Thailand) om aan de Birma-spoorlijn te werken. Hij liet zijn baard staan om er ouder uit te zien maar de Jappen trokken hem juist daarmee naar de dwangarbeid. Intussen was zijn gezin ook geïnterneerd in de Japanse vrouwenkampen. Lucie zat samen met haar dochter Tina in één kamp. Het moet verschrikkelijk zijn geweest voor dit verscheurde gezin. Dat verblijf in die kampen. Dat werken aan die Birma-Siam-spoorweg, ook wel Dodenspoorlijn genoemd door de geallieerde krijgsgevangenen. Zij werden gedwongen de spoorlijn aan te leggen tussen Nong Pladuk in Thailand en Thanbyuzayat in Myanmar (Birma). Het werk aan de spoorlijn begon op 16 september 1942 en werd 16 maanden later voltooid, ondanks berekeningen van Japanse ingenieurs dat het minimaal 5 jaar zou duren om de 415 kilometer lange en 1 meter brede spoorlijn aan te leggen. De Japanners maakten hiervoor op grote schaal gebruik van dwangarbeid. Tijdens de aanleg stierven per dag gemiddeld 75 arbeiders; 15.000 krijgsgevangenen stierven aan uitputting, ziekte en ondervoeding. Onder hen waren 7.000 Britten, 4.500 Australiërs, 131 Amerikanen en bijna 3.000 Nederlanders. Marijke en ik hebben de Bridge on the River Kwai en de eertijdse kampen bezocht. De rillingen liepen over onze rug.

De overgave van de Jappen betekende niet het einde van de problemen. Lucie kon wel terugkeren naar Bandoeng, maar pas eind 1945 lezen we in een vergeeld oud krantenberichtje dat mijn moeder altijd bewaard heeft: ‘God heeft ons gebed verhoord en onze lieve zoon en broeder Eugène behouden. Na 5 jaren wachten ontvingen wij bericht dat hij zich in goede gezondheid bevindt in het EX-POW-kamp Siam (Thailand). Fam. A.Orval-Dambacher, Hoogstraat 94, Tegelen’. De Indonesische Onafhankelijkheidsstrijd begon kort na de capitulatie van Japan op 15 augustus 1945, gevolgd door het uitroepen van de Republiek Indonesië op 17 augustus 1945, en eindigde met de overdracht van de soevereiniteit over de kolonie Nederlands-Indië door het Koninkrijk der Nederlanden aan Indonesië in december 1949. Het gezin komt in rustiger vaarwater en keert terug naar Tegelen.

Als klein jongetje ging ik regelmatig met de fiets naar de Plataanstraat in Tegelen. Naar mijn ome Eugène en tante Lucie, schoondochter Tilly en mijn neefje Pierre. Ik zie het nog zo voor me, mijn oom stond altijd kaarsrecht voor de deur, of kaarsrecht strak voor zich uitkijkend achter in de tuin. Nu denk ik wel eens: ‘Wat hebben die mensen meegemaakt, waar zal hij aan gedacht hebben. Wat moet door dat stoere hoofd gespeeld hebben. Hoe diep ging dat trauma van die klote oorlog’. Als ik binnenkwam veranderde die sfeer. Je werd heel hartelijk en warm ontvangen. Als kleine jongen voel je dat meteen aan, ik was er welkom. En het rook er altijd zo lekker. Na het spelen met mijn neefje moest ik altijd blijven eten. Als ik daaraan terugdenk heb ik nooit meer zo lekker Indisch gegeten als bij mijn tante Lucie en bij Tilly.

Nu zijn ze er niet meer. Ik kijk op televisie naar protesten en demonstraties tegen racisme en geweld tegen gekleurde mensen. Ik word daar verdrietig van, ik heb nooit gediscrimineerd. Ik moet terugdenken aan mijn lieve tante Lucie, ik besef nu pas dat zij de eerste donkere persoon was die ik leerde kennen. Ze zal zich destijds zeker wat meer bekeken hebben gevoeld in Tegelen. Die mooie vrouw waaraan ieder streepje mascara overbodige luxe was. Het enige wat ze gebruikte was een wolkje Pompeï talkpoeder. Ik kijk niet op haar neer, maar naar haar op. Als die prachtige lieve sterke vrouw, die ook nog eens verschrikkelijk lekker kon koken.

Jan Titulaer – juni 2020

[1] Semarang is een stad aan de noordkust van het eiland Java, Indonesië. Het is de hoofdstad van de provincie Midden-Java (Jawa Tengah). Semarang was een belangrijke haven tijdens de Nederlandse koloniale periode.

[2] Grootouders van vaders kant onbekend, van moederskant Hendrik Dis (ca.*1839 +1912) en Sikem Inlandse Christen vrouw.

[3] Getr. met Lambertus Peter (Lam) Jornick; geb. ca. 1921 Blerick, ovl.18-08-1994 A’dam (73 j.)

[4] hoofdstad van de Indonesische provincie Atjeh (Sumatra)

[5] Prisoner of War

2 thoughts on “Mijn tante Lucie

  1. Luc Orval

    Dank je wel voor dit mooi stukje geschreven tekst. Ik mag stellen dat dit heel bijzonder voor me is en heel veel meerwaarde heeft; met name omdat ik thans met onze stamboom in de weer ben en deze graag wil voorzien van extra inhoud. Oma Lucie, een vrouw uit duizenden, nee uit miljoenen… en naar de kleur heb ik nooit gekeken, in mijn beleving is kleur volkomen egaal. Net zoals Opa Eugène dit dus zag. Nu weten jullie allemaal aan wie ik mijn naam te danken heb… en niet alleen mijn naam 😉

    • André Schroemgens

      Ja tranen in mijn ogen als ik dit gelezen heb.
      Tante Lucie was er bij toen ik geboren ben.
      Ome Eugéne was de broer van mijn oma.
      Als kleine jonge kwam ik ieder zondag op bezoek bij Tante Lucie ome Eugéne en tante Tilly.
      Mocht mee aan tafel en genieten van het heerlijke eten.
      Na afloop werd er een gulden in mijn spaarvarkentje gestopt en op mijn verjaardag gingen we samen wat moois kopen.
      De herinnering zitten nog diep in mij.
      Als ik weer eens in Tegelen kwam of kom rij ik altijd door de Plataanstraat waar ik geboren en op gegroeid ben.
      Mijn hart bons dan vol vreugde en herinnering komen ten boven.
      Ik bedank jullie voor dit geweldig verhaal over mijn familie.

Geef een reactie

Uw e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Velden met een sterretje zijn vereist *

Velden wissenVerzenden